De hyperinflatie in Duitsland

In elke gezonde economie komt inflatie in enige mate voor. Als de economie goed draait willen werknemers hun inspanningen van tijd tot tijd beloond zien met een loonsverhoging, en zolang deze iets hoger ligt dan de stijging van het gemiddelde prijspeil is er sprake van een reële koopkrachtverbetering. Deze inflatie, het minder waard worden van het geld door stijging van lonen en prijzen, is een teken van een groeiende economie. Niets bijzonders eigenlijk zolang de jaarlijkse inflatie beperkt blijft tot een paar procent. Helaas gebeurt het echter nog regelmatig dat de inflatie de pan uit rijst, zoals in de jaren ‘80 in Polen en in de negentiger jaren in het uiteenvallende Joegoslavië. Een van de ernstigste gevallen van hyperinflatie, waarbij de geldontwaarding volledig uit de hand liep, deed zich in 1923 voor in Duitsland. De geldontwaarding ging hier op een gegeven moment zó snel dat deze op geen enkele manier meer was bij te houden. Filatelistisch is deze periode bijzonder interessant, niet alleen omdat we aan de hand van de postzegels die in deze periode zijn uitgegeven goed kunnen volgen hoe snel de Mark toen in waarde daalde, maar ook om dat er nog talloze poststukken zijn die de waanzinnige prijsstijgingen in die tijd illustreren.


Briefkaart, op 20-10-1923 verzonden van Hamburg (Altona) naar de Bohemen (nu Tsjechië), gefrankeerd met 16 miljoen Mark

Om te begrijpen hoe de inflatie in het begin van de jaren ‘20 in Duitsland (en alleen dáár) kon ontstaan moeten we even terug in de geschiedenis. Veel historici wijzen de herstelbetalingen die Duitsland aan de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog moest betalen aan als de oorzaak van de inflatie, maar in feite werd hiervoor de kiem al eerder gelegd. Om de oorlog te kunnen financieren werd door de Duitse regering in de jaren 1914-1918 op grote schaal geld geleend door het uitgeven van staatsobligaties. Men ging er van uit dat Duitsland de oorlog zou winnen, en met de herstelbetalingen van de overwonnen landen zouden de schulden gemakkelijk kunnen worden afgelost.


Voor de socialistische regering geen wapens of Germania meer op de zegels, maar arbeiders als een smit, landbouwer en mijnwerker
Duitsland verloor de oorlog echter en bleef met een enorme staatsschuld zitten. Daar kwam bij dat Duitsland gedwongen werd tot het doen van herstelbetalingen aan de geallieerden (Frankrijk, België, Italië en Groot Brittannië) van liefst 132 miljard goudmark. Er was geen enkele manier waarop Duitsland dit geld op zou kunnen brengen. Voor de naoorlogse socialistische regering van Duitsland was er maar één manier om aan meer geld te komen: het bijdrukken van bankbiljetten. Al aan het begin van de oorlog had de Reichsbank de omwisselmogelijkheid van geld in goud opgeschort, waardoor er geen feitelijke dekking meer was voor de in omloop zijnde geldhoeveelheid en er geen limiet meer werd gesteld aan het drukken van geld.


Voor- en achterzijde van een expressebrief, verzonden op 9 juli 1923 en gefrankeerd met 675 Mart (27x25 Mark)

In de eerste jaren na de oorlog was de inflatie hoog (zo'n 140%), maar bleef beperkt omdat veel dagelijkse levensbehoeften gerantsoeneerd waren en luxe goederen vrijwel niet te koop waren. Toch was het gemiddelde prijspeil in februari 1920 al vijfmaal zo hoog als bij de wapenstilstand in 1918, terwijl de geldhoeveelheid in Marken slechts verdubbeld was. Vanaf dat moment stabiliseerde de inflatie zich en de Mark kreeg zelfs wat van z'n waarde terug ten opzichte van buitenlandse valuta. De regering bleef echter geld bijdrukken waardoor de inflatie nieuwe brandstof kreeg. In mei 1921 ging het prijspeil weer stijgen en in juli 1922 was de prijsindex opgelopen tot 700%. Al die tijd bleef de Reichsbank geld bijdrukken, maar altijd in een langzamer tempo dan de snelheid waarmee de prijzen stegen.

Na juli 1922 brak de periode van hyperinflatie aan. Elk vertrouwen in de munt verdween en de prijsindex schoot omhoog, sneller en sneller gedurende vijftien maanden, in een tempo dat de gelddrukkerijen onmogelijk konden bijhouden. In de tabel hieronder wordt de prijsindex gedurende deze jaren weergegeven (juli 1914 = 100, net voor het uitbreken van WO I).

Maand Prijsindex
juli1914 100
jan.1919 260
juli1919 340
jan.1920 1.260
jan.1921 1.440
juli1921 1.430
jan.1922 3.670
juli 1922 10.060
jan.1923 278.500
juli1923 19.400.000
nov.1923   72.600.000.000.000
Het prijsindexcijfer van de groothandels-prijzen (1914=100) laat de explosieve stijging zien die in 1923 optrad

In 1922 probeerde de Duitse regering het tij nog te keren door op grote schaal op de internationale valutabeurzen steunaankopen te doen. Echter doordat zij zelf steeds meer geld bijdrukte faalde deze poging jammerlijk. In feite kocht zij waardeloze Marken op tegen kostbaar goud en buitenlandse valuta.

Elke hoop om de ineenstorting van de Mark te voorkomen vervloog in januari 1923, toen Franse en Belgische troepen -tegen alle afspraken in die in het Verdrag van Versailles gemaakt waren- het Roergebied bezette, Duitsland's belangrijkste industriële gebied. De arbeiders in dit gebied legden massaal het werk neer uit protest, waarbij de regering beloofde hen financieel te ondersteunen.


Met de toeslag op deze zegels werden de stakende families in het door Frankrijk bezette Roergebied financieel gesteund
Opnieuw werden er miljarden Marken gedrukt. In de herfst van 1923 werkten 30 papierfabrieken op maximale capaciteit en bij 150 drukkerijen draaiden meer dan 2000 persen dag en nacht om aan de vraag naar bankbiljetten te voldoen. Om tijd te besparen werden de biljetten op het laatst maar aan één zijde bedrukt.

Omdat de Reichsbank ondanks dat niet in staat was voldoende geld te drukken, werd aan elke gemeente en later ook aan particuliere bedrijven toegestaan eigen geld in omloop te brengen (er waren zelfs café's die geld drukten). Arbeiders ontvingen hun loon in grote zakken om al dat papiergeld te kunnen dragen. Het was belangrijk het geld direct weer uit te geven, want de volgende dag was het nog maar de helft waard. Velen namen die moeite niet eens en stookten de biljetten op in de kachel.

Illustratief is het verhaal van de arbeider die met een kruiwagen vol papiergeld naar de bakker ging om brood te kopen. Hij zette dit voor de winkel neer en ging naar binnen om te kijken of er werkelijk brood te koop was. Toen hij weer naar buiten kwam was al het geld op de grond gegooid en de kruiwagen gestolen! Een mooi verhaal, maar in werkelijkheid werden er geen kruiwagens voor het meenemen van geld gebruikt, hiervoor gebruikte men veeleer een grote tas of koffer.


Voor- en achterzijde van een brief, gepost op 5-9-1923 in Berlijn en gefrankeerd met een waarde van 75.000 Mark

Aanvankelijk kwam de hoge mate van geldontwaarding de regering goed uit. De schulden verdwenen als sneeuw voor de zon, er werd in koortsachtig tempo handel gedreven en de werkeloosheid was volledig verdwenen. Ook veel zakenmensen zagen grote voordelen: hun schulden verdampten en zij probeerden zoveel mogelijk geld te lenen om fabrieken te bouwen, machines te kopen, concurrerende bedrijven over te nemen en goederen en grondstoffen in te slaan, zoveel als maar mogelijk was. Tegen de tijd dat er betaald moest worden of de lening moest worden afgelost was het verschuldigde bedrag gereduceerd tot een nietige som gelds.


Brief van Berlijn naar Spandau, verzonden op 1-10-1923 en gefrankeerd met 2 miljoen Mark

Al snel werd echter de schaduwzijde van de inflatie zichtbaar: de koopkracht van arbeiders en werknemers daalde drastisch. Vakbonden dwongen in regelmaat loonsverhogingen af, maar deze konden bij lange na de geldontwaarding niet bijhouden. Vooral ambtenaren, klerken, kunstenaars, landbouwers, kantoorpersoneel en werkers in vrije beroepen, over het algemeen niet georganiseerd, kregen het bijzonder zwaar. Zij hadden geen vakbonden achter zich staan en hadden nauwelijks geld om eten te kopen. Veel mensen vertoonden tekenen van ondervoeding. Respectabele families merkten dat hun opgespaarde kapitaal, bedoeld om na pensionering van te kunnen leven, nog niet voldoende was om een postzegel van te kopen.

Zakenlieden lieten hun normale handel voor wat het was en gingen speculeren in aandelen en goederen. Duizenden kleine handelaren probeerden een boterham te verdienen door te speculeren in stoffen, schoenen, vlees, zeep, kleding - elk product dat zij maar konden krijgen. Elke nieuwe val van de Mark leidde tot een run op de winkels, om maar te kopen wat voorradig was. Mensen kochten tientallen hoeden of truien. Gezinnen met een vast inkomen, dat niet snel genoeg aan de prijsontwikkeling aangepast kon worden, werden gedwongen om meubilair, juwelen en kunstwerken te verkopen om maar aan voedsel te komen.


De inflatie in beeld. Zegels uit de periode 1921-1923, waarbij elke postzegel een tienvoudige waarde heeft van de zegel ter linkerzijde

Tegen het midden van 1923 kregen arbeiders drie keer per dag hun loon uitbetaald. Hun echtgenotes stonden aan de poort van de fabriek om dat geld in ontvangst te nemen, naar de winkel te rennen en het om te zetten in goederen of eten. Echter steeds meer winkels bleven leeg. Winkeliers konden niet aan nieuwe spullen komen of snel genoeg zaken doen om het ontvangen kasgeld tegen ontwaarding te beschermen. Boeren weigerden nog langer om de producten van hun land naar de stad te brengen in ruil voor waardeloze bankbiljetten. Niemand had nog maar het geringste vertrouwen in de waarde van de Mark. Er braken voedselrellen uit en groepen arbeiders trokken naar het platteland om eigenhandig groenten te oogsten en boerderijen te plunderen. Winkels en fabrieken moesten wegens een tekort aan goederen en voorraden sluiten, en de werkeloosheid liep plotseling scherp op. De economie stortte ineen.

Datum Posttarief in Marken
1 april1921 0,60
1 jan.1922 2
1 juli1922 3
1 okt.1922 6
15 nov.1922 12
15 dec.1922 25
15 jan.1923 50
1 maart1923 100
1 juli1923 300
1 aug.1923 1.000
24 aug.1923 20.000
1 sept.1923 75.000
20 sept.1923 250.000
1 okt.1923 2.000.000
10 okt.1923 5.000.000
20 okt.1923 10.000.000
1 nov.1923 100.000.000
5 nov.1923 1.000.000.000
12 nov.1923 10.000.000.000
20 nov.1923 20.000.000.000
26 nov.1923 80.000.000.000
1 dec.1923   100.000.000.000
of 0,10 Rentenmarken!
Een overzicht van de posttarieven voor een standaard brief naar een binnenlandse bestemming, in de periode 1921-1923

Ook het belastingstelsel had ernstig te lijden onder de inflatie. Zakenlieden kwamen er al snel achter dat, simpel door de betaling van de verschuldigde belasting wat te vertragen, de ontwaarding van de Mark ervoor zorgde dat de werkelijke waarde van de betaling vrijwel geëlimineerd werd. Maar de regering, die daardoor veel inkomsten misliep, werd zo gedwongen om steeds méér geld te drukken. Tegen oktober 1923 kwam nog maar 1% van de overheidsinkomsten uit belastingen, tegen 99% uit het creëren van nieuw geld.

Hoewel de geldpersen op volle toeren draaiden was er aan reële waarde steeds minder geld in omloop. De prijzen vlogen veel sneller omhoog dan er aan geld gedrukt kon worden. Ondanks de dagelijkse productie van miljarden Marken kwamen banken zonder geld te zitten om cheques uit te betalen en konden zakenlieden niet meer aan geld komen om goederen te kopen en salarissen uit te betalen. De overheid had met hetzelfde probleem te kampen. Het bleek dat er niet teveel geld in omloop was, eerder te weinig. Aan alle kanten werd er geroepen om méér geld. Als de totale in omloop zijnde geldhoeveelheid werd omgerekend in goudwaarde, dan was deze gedaald van 7428 miljoen Mark in januari 1920 naar een schamele 168 miljoen in juli 1923.


Brief gepost op 5-11-1923, gefrankeerd met 300 miljoen Mark

In november braken er in het hele land rellen en protestdemonstraties uit tegen de inflatie. Half november was de inflatie op z'n hoogtepunt en werden de prijzen elk uur aangepast. Toen de nood zo hoog gestegen was greep de regering in, en wist de Mark vrijwel van de ene op de andere dag te stabiliseren. Eind november 1923 werd een geldhervorming doorgevoerd waarbij een nieuwe bank, de ‘Rentenbank' werd opgericht en een nieuwe geldeenheid, de ‘Rentenmark' werd geïntroduceerd. Er werd een totaal van 2.4 miljard Rentenmark in omloop gebracht, waarbij elke Rentenmark de waarde had van 1 biljoen oude Mark.


Nieuwe Rentenmarke-zegels, met waarde in Pfennige
Vanaf dat moment stopte de geldontwaarding, de Rentenmark behield z'n waarde en zelfs de oude Marken bleven vanaf dat moment stabiel. De inflatie was gestopt.

Hoe kon dit wonder gebeuren? Het ging tenslotte om een geheel nieuwe munt, die nergens voor inwisselbaar was. De onmiddellijke acceptatie van de Rentenmarkt was gelegen in het feit dat de werkelijk in omloop zijnde geldhoeveelheid zeer laag was, slechts 168 miljoen uitgedrukt in vooroorlogse goudmarken. Voor de handel was er een wanhopig tekort aan geld, elke oplossing werd met gejuich ontvangen. Het nieuwe geld kon alleen zonder inflatie geïntroduceerd worden als het publiek er vertrouwen in zou stellen. De regering beloofde dat het nieuwe geld ‘Wertbestandig' zou zijn, waardestabiel. In haar honger naar bruikbaar geld accepteerden de Duitsers dat, althans zolang het tegendeel niet bewezen werd. In theorie werd de Rentenmark gesteund door de onderliggende waarde van al het land en industrieën die in het bezit waren van de Duitse overheid.


Duitse zegels die in 1925 zijn uitgegeven om het door Frankrijk bezette Rheinland te claimen. Op de achtergrond de Duitse adelaar.
Op de tweede plaats, en dit was cruciaal, stelde de regering strikte limieten aan het aantal Rentenmarken dat werd uitgegeven en beëindigde zij direct de uitgifte van oude Marken. Tenslotte stopte de Reichsbank na april 1924 de verstrekking van nieuwe kredieten aan bedrijven, iets dat de inflatie had aangewakkerd. Zakenlieden moesten hun leningen in goudmarken aflossen, gelijk aan de originele waarde van de lening. Daarmee was de prikkel verdwenen om met speculatieve bedoelingen geld te lenen.

In augustus 1924 werd de geldhervorming gecompleteerd door de introductie van de nieuwe Reichsmark, in waarde gelijk aan de Rentenmark. De Reichsmark werd voor 30% gedekt door goudreserves, hoewel deze munt niet inwisselbaar was voor goud. Er werden nieuwe belastingen opgelegd en, nu de inflatie verdwenen was, liepen de belastingontvangsten voor de overheid snel op. In 1924-1925 had de regering weer een begrotingsoverschot.

De inflatieperiode had de verdeling van rijkdom in de Duitse maatschappij ingrijpend veranderd, waarbij de middenklasse als grote verliezer uit de strijd kwam. De arbeidersklasse had al vóór de inflatie weinig te verliezen, dus hier bleven de gevolgen beperkt. De rijken in de samenleving hadden hun kapitaal doorgaans belegd in kunst, juwelen, goud, buitenlandse valuta of onroerend goed, zaken die door de inflatie niet of nauwelijks werden aangetast. Maar waar veel geld verloren wordt zijn er anderen die er juist bij winnen. Met name speculanten, zwarthandelaren en mensen die veel geld konden lenen deden goede zaken. In het algemeen werd echter de herverdeling van het kapitaal als zeer onrechtvaardig ervaren.


Brief in Berlijn gepost op 18-10-1923, gefrankeerd met in totaal 2.060.000 Mark. Wegens ruimtegebrek zijn de zegels aan de achterzijde dakpansgewijs over elkaar heen geplakt.

Hoewel het spook van de inflatie was beteugeld, bleef de bevolking met een vervelende kater zitten. Miljoenen Duitsers uit de middenklasse en de gegoede burgerij, normaliter de ruggengraat van de samenleving, waren door de inflatie geruïneerd. Zij waren zeer ontvankelijk voor de rechts-radicale propaganda van mensen als Hitler. Arbeiders die geleden hadden onder de inflatie sloten zich massaal aan bij het communisme. De mensen die het meest profiteerden van de nieuwe verdeling van macht en geld waren de leiders van grote industrieën, die de democratie wantrouwden en bereid waren om het met Hitler op een akkoordje te gooien, veronderstellend dat zij hem wel in de hand konden houden. De democratische partijen en vakbonden verloren hun kapitaal en werden verzwakt. Het liberaal-democratische stelsel was door de inflatie in diskrediet gebracht, wat voedsel gaf aan het rechts-extremisme van Hitler c.s. die een ‘Nieuw Duitsland' propageerden.

Zou zoiets in de huidige tijd nog eens kunnen gebeuren? Gelukkig hebben westerse landen veel geleerd van de hyperinflatie in Duitsland. In westerse wereld waken directeuren van de centrale banken, veelal knappe economen, ervoor dat de inflatie door het reguleren van de geldhoeveelheid niet uit de hand loopt. Een potentieel gevaar vormen de aanhoudende begrotingstekorten in veel landen. Niet voor niets wordt voor de Eurolanden in het stabiliteitspact bepaald dat het overheidstekort niet boven de 3% van de totale begroting mag stijgen. Morrelen aan dit pact houdt het gevaar in van een hogere inflatie. In de Verenigde Staten is dit gevaar nog veel meer reëel. Door de aanhoudende oorlogen in Afghanistan en Irak kampt de regering met enorme overheidstekorten, waardoor de waarde van de dollar sterk onder druk is komen te staan. In enkele maanden verloor de dollar bijna 40% van z'n waarde ten opzichte van de euro. Als het wereldwijde vertrouwen in de dollar verder daalt kunnen er in de nabije toekomst nog onverwachte dingen gebeuren...

Ton Vis