De departementstempels gedurende de franse bezetting van de Nederlanden 1811-1813

Het bijeenroepen van de Franse Staten-Generaal op 5 mei 1789 wordt beschouwd als het begin van de Franse Revolutie. De verdeling van Frankrijk in departementen was het gevolg van de onduidelijkheid over Provincies en Generaliteiten. In juli 1789 werd de kwestie ter tafel gebracht, en de discussie leverde op 15 januari 1790 een decreet op, waarbij Frankrijk in 83 departementen verdeeld werd. De Post, die per 1 januari 1792 weer aan de Staat was toegewezen, kreeg de opdracht om het een en ander administratief te verwezenlijken. De departementen kregen ieder een nummer, tussen 1 en 83. De nummers 84 en hoger werden voor nieuwe departementen bestemd, in de door de fransen geannexeerde gebieden die waren verkregen door de veldtochten tijdens de revolutie en onder het keizerrijk. In een Postcirculaire van 1 november 1791 werd de invoering aan van poststempels met departementstempels aangekondigd, die vanaf 1 januari 1792 in gebruik moesten zijn. De franse hoofdpostkantoren ontvingen 2 stempels, één als vertrekstempel voor ongefrankeerde brieven, deze voerde alleen de plaatsnaam en het departementnummer. Een tweede stempel was voor gefrankeerde post. Deze was identiek aan het gewone stempel, echter hierbij stond er een "P" voor en achter het departementnummer.



Buiten deze twee stempels werd er nog een gebruikt, die men "débourgé" noemde en op het stempel werd ingekort tot "DEB". Dit stempel werd gebruikt op de achterzijde van de brief als deze verkeerd was verzonden, een fout adres had, er teveel of te weinig port was betaald, in ieder geval als het niet helemaal in orde was. Elke directeur van het Postkantoor moest deze stempels gebruiken en de brieven overhandigen aan de controleur, die verder handelde naar de regels om de brief al nog op plaats van bestemming te krijgen of deze retour afzender te versturen.

In Nederland waren 91 kantoren in 12 departementen - hierbij was Oost-Friesland ook meegeteld - die tussen 1796 en 1813 hun departementstempels ontvingen. De meeste kantoren in het Koninkrijk der Nederlanden ontvingen ze op 1 april 1811, met natuurlijk een paar uitzonderingen. Delfzijl en Heerenveen ontvingen ze op 1 oktober 1811, Texel op 1 juni 1811 en Willemstad pas op 1 december 1813.

De nummers van de twaalf departementen in ons land waren:

92 Dep. v.d. Schelde 93 Dep. v.d. Twee Nethen 95 Dep. Beneden Maas
118 Dep. Zuyderzee 119 Dep. Monde Maas 120 Dep. Monde IJssel
121 Dep. Boven IJssel 122 Dep. Vriesland 123 Dep. Wester Eems
124 Dep. Ooster Eems 125 Dep. Monde Schelde 126 Dep. Monde Rijn




Er waren in de drie Nederlandse departementen 120, 121 en 123, een paar Duitse kantoren toegevoegd. Dit gebeurde door een Decret Imperial van 26 december 1810, maar deze kantoren werden door een volgend Decret al op 18 april 1811 in een nieuw Duits departement opgenomen.

De nederlaag van Oostenrijk van de fransen bij Fleures maakte een einde aan de Oostenrijkse overheersing van de zuidelijke Nederlanden. Met de bezetting van Sluis op 25 augustus 1794 kwam heel Staats-Vlaanderen onder frans beheer, en werd dit met Oost-Vlaanderen herenigd. Maastricht, Valkenburg, Heerlen en omgeving vielen op 5 november 1794 onder het franse geweld, en werd dit gebied ondergebracht in een administratieve eenheid dat deel uitmaakte van een centrale administratie die te Aken gevestigd was. Voor ons land was dit het begin van een 20 jaar durende franse periode. De officiële annexatie van ons land volgde pas in 1795. De Bataafse Republiek stond op 16 mei haar soevereiniteit af aan Frankrijk en bij een besluit van 31 augustus 1795 werd België verdeeld in 9 departementen. Het voormalig Nederlands Limburg maakte deel uit van de Beneden Maas, en Staats-Vlaanderen werd bij het departement van de Schelde gevoegd.



In 1806 werd Oost-Friesland bezet door de fransen, maar in 1807 werd dit gebied geruild met Vlissingen, zodat dit Frans gebied werd en Oost-Friesland tot het Koninkrijk der Nederlanden ging toebehoren. Voor Vlissingen had dit tot gevolg dat de stad tot 1810 drie maal van departement verwisselde, met als departementsnummers 92, 93 en 125.



Op 1 juli 1810 deed Lodewijk, Koning van Holland, afstand van zijn troon en op 9 juli werd geheel Nederland ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. Het gebied ten noorden van de grote rivieren werd toen opgedeeld in 7 departementen. Derhalve bestond op 1 januari 1811 het gebied uit de departementen 118 t/m 124, 126 en 93. Dit laatste departement was eigenlijk al sinds 1795 toegevoegd aan het Belgische departement van de Deux Nethes.



In het "Réglement général pour l'organisation des departements de la Hollande" van 18 oktober 1811 verscheen een aankondiging over de nieuwe regels die van toepassing zouden zijn voor de 7 noordelijke departementen, die een aparte administratieve eenheid zouden vormen.



Voor de afgestane gebieden traden de franse wetten in werking, deze zouden rechtstreeks onder Parijs gaan ressorteren. Op 18 oktober 1810 verscheen een decreet dat uitgewerkt werd tot "Decret Imperial sur l'organisation du services des Postes dans les departements de la Hollande". Alle franse wetten, besluiten, tarieven en reglementen betreffende de postdienst zouden per 1 januari 1811 in werking treden. Het gehele postwezen werd aangepakt en er kwam een directeur-principel, die direct onder directeur-generaal Lavalette kwam te staan. De directeur-principel resideerde in Amsterdam. De gehele postdirectie werd vervangen door fransen, alles volgens Napoleon's integratiepolitiek.


De door de fransen ontwikkelde Postwet bleef voor een groot deel in stand tot de nieuwe Postwet van 1850. De toen geldende posttarieven waren gebaseerd op de franse, wat inhield dat ze in eerste instantie goedkoper werden voor de Hollandse departementen. Maar later volgden er aanpassingen en werd het natuurlijk aanzienlijk duurder. Ook toen al werden de posttarieven door afstand en gewicht bepaald.



Jan Valkenburg